Vismigratierivier Afsluitdijk

De Afsluitdijk bracht ons veiligheid, maar veroorzaakte tegelijkertijd ook schade aan de natuur. De afsluiting creëerde  een hindernis voor trekvissen. De Vismigratierivier zorgt ervoor dat de Afsluitdijk weer open gaat voor vis. Het is een innovatief plan om de Waddenzee en het IJsselmeer weer met elkaar te verbinden. Zo kunnen straks vele soorten trekvissen hun paai- en leefgebieden weer bereiken.

Afbeelding

Wie hebben er baat bij?

De belangrijkste gebruikers van de Vismigratierivier zijn paling (glasaal), stekelbaars, rivierprik, spiering, bot en houting. Ook fint, elft, zalm, zeeforel en zeeprik zullen gebruik gaan maken van de Vismigratierivier. Ze behoren allemaal tot de doelsoorten. Daarnaast zullen ook andere vissen profiteren van de Vismigratierivier denk dan bijvoorbeeld aan haring en zeebaars. En als het echt meezit zou er zelfs wel eens een steur door heen kunnen trekken.   

Hieronder vindt u per doelsoort een korte omschrijving. Wilt u echt alles weten over de vissen en de werking van de Vismigratierivier Afsluitdijk? Check dan onze onderzoeken.  


Atlantische zalm

Salmo salar

Lengte: tot 80 centimeter (soms 100 cm)
Gewicht: 8 kilogram
Voedsel: o.a. garnalen
Snelheid: 31 km/u

In de 19e eeuw wordt er massaal op zalm gevist. Het wordt met grote aantallen uit de zee en rivieren gehaald. De zalm is zo massaal aanwezig dat het voedsel is voor de allerarmsten. Maar in het begin van de 20e eeuw stort dit in. Na de Tweede Wereldoorlog wordt er zo nu en dan nog wel eens zalm gevangen maar, de commerciële visserij is voorbij.

Belangrijke oorzaken voor het zo goed als volledig verdwijnen van de zalm zijn:

  • Overbevissing,
  • verdwijnen van leefgebied (bijvoorbeeld Grintafgravingen),
  • slechte waterkwaliteit (slib, vervuiling, maar ook hogere temperaturen),
  • aanleggen van dammen en dijken, zoals de Afsluitdijk

Het belang van de migratie tussen zoet en zout water voor zalm is groot. Zalm paait in het zoete water van de Rijn, maar leeft als volwassen exemplaar in het zoute water van zee en oceaan. Met name rond Groenland en Canada. Na één tot drie jaar keren ze weer terug naar zoet water om te paaien. En dan gaat het fout. Er zijn teveel barrières.

Van Zalmen is bekend dat tijdens de trek over obstakels heen kunnen springen. De Afsluitdijk is daar natuurlijk veel te groot voor. Ze ‘ruiken’ het zoete water maar omdat de sluizen vaak gesloten zijn kunnen ze niet verder. Bij geopende sluizen maken zalmen wel een kans om door te zwemmen, hun topsnelheid ligt op 31 kilometer per uur! (vier keer harder als Pieter van den Hoogenband)

De zalm eet op de terugweg niet. Hij teert op de reserves die hij heeft opgebouwd. Hoe langer de reis, des te minder reserves. De Vismigratierivier zou wat betreft een uitkomst zijn, want dan zou een van de grote barrières namelijk passeerbaar zijn.

Copyright Sportvisserij Nederland

 

 

 

 

 

 

 

 


Bot

Platichthys flesus

Lengte: tot 60 centimeter 
Voedsel: o.a. wormen, krabjes, garnalen
Snelheid: 2.2 km/u

De Bot is een platvis. Hij leeft grotendeels op de bodem van de Waddenzee. Hij verschilt op het eerste gezicht van Schol, door het ontbreken van duidelijke stippen. De Bot eet vooral garnalen. Het is een erg trage zwemmer. Dit gebrek aan snelheid compenseert de platvis door een goede schutkleur. Vanwege de lage zwemsnelheid is het voor botten praktisch onmogelijk om tegen de stroming van sluizen in te zwemmen.

De bot is de enige platvis die zonder problemen in zoetwater kan zwemmen. Ze worden zelfs in de Rijn bij Basel gevonden. De voorkeur gaat echter uit naar brakwater. Van Botten is bekend dat zij gezwellen krijgen als de overgang van zoet naar zoutwater te plotseling is.

Wat dat betreft voorziet de Vismigratierivier in een duidelijke behoefte. De stroomsnelheid kan namelijk worden vertraagd zodat bot en botlarven mee kunnen zwemmen op het getij. Bovendien is er een geleidelijke overgang tussen zoet en zoutwater waardoor de vissen tijd hebben om zich aan te passen aan de wisselende omstandigheden.

Omdat Botten ook uitsluitend in zout water kunnen leven is de Vismigratierivier niet van levensbelang. Wel is de verwachting dat de populatie toeneemt als de migratiemogelijkheden tussen zoet en zoutwater verbetert, bijvoorbeeld door de aanleg van een Vismigratierivier.

Copyright Sportvisserij Nederland

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Driedoornige stekelbaars

Gasterosteus aculeatus

Lengte: maximaal 11 centimeter
Leeftijd: tot 8 jaar
Voedsel: macrofauna
Snelheid: 3.2 km/u

Bij de Driedoornige stekelbaars is het vooral het mannetje dat opvalt. In de paaitijd maakt het mannetje het erg bont. In een felgekleurd jasje maakt hij met zigzaggende bewegingen indruk op de vrouwtjes. Hij kleurt rood aan en zijn ogen worden indringend blauw. De vrouwen vallen op de blauwe ogen. Door de rode buik valt de kleur blauw nog eens extra goed op.

Als hij genoeg indruk heeft gemaakt op een vrouwtje, maakt hij een nestje en als het vrouwtje daar eitjes in heeft gelegd, zwaait het mannetje met zijn borstvinnen om extra zuurstof bij de eitjes te krijgen. Als de eieren zijn uitgekomen, beschermt het mannetje de jonge visjes met een ongekende agressiviteit.

Op verschillende plekken in Nederland zien we dat mensen vispassages aanleggen omdat vogels het moeilijk beginnen te krijgen door de afnemende aantallen stekelbaarsjes. De driedoornige stekelbaars is door zijn kleine lichaamslengte een goede prooi voor visetende vogels zoals lepelaars, sterns, meeuwen, reigers, zaagbek etc. Maar ook roofvissen zoals snoek en snoekbaars jagen op de stekelbaars.

Het visje zelf eet veel kleine waterdiertjes, zoals muggenlarven, watervlooien, nimfen van eendagsvliegen en visbroed. De driedoornige stekelbaars heeft een topsnelheid van 3.2 km/u. Vaak lukt het de vis daarom niet om tegen sluizen in te zwemmen.

In vergelijking met de historische situatie is de trekkende driedoornige stekelbaars in het achterland van de Afsluitdijk enorm afgenomen. De potentie van de Vismigratierivier is enorm; In de lente liggen er honderdduizenden tot mogelijk honderden miljoenen (!) stekelbaarsjes voor de Afsluitdijk, loerend op een kans om naar binnen te glippen. Stel je voor wat dat betekent als het ook lukt.

Copyright Sportvisserij Nederland

 

 

 

 

 

 

 

 


Elft

Alosa Alosa

Lengte: in Nederland tot 50 centimeter
Voedsel: dierlijk plankton
Snelheid: 20.8 km/u

Elften lijkt erg veel op de fint. Beide zijn haringachtige vissen die zich gedragen als zalmen. Met ander woorden; ze leven in zee, maar als het tijd is voor de voortplanting trekken ze de rivier op, op zoek naar de paaiplaatsen: schone beekjes waar ze hun eieren kunnen afzetten. Elften trekken daarbij ver het binnenland in (en finten blijven een stuk dichter bij zee).

In de eerste helft van de vorige eeuw werd het voor de elften steeds moeilijker om hun voortplantingsgronden te bereiken: steeds meer stuwen en sluizen versperden de weg en de rivieren werden steeds smeriger. Daardoor kwamen de elften vaak niet verder dan de paaiplaatsen van de finten. Daardoor kruisten de soorten en werden echten elften steeds zeldzamer.

Sinds midden jaren ’30 kunnen we zeggen dat de Elft is uitgestorven voor het gebied rondom de Waddenzee. Alhoewel, uitgestorven. Het beestje wordt zo nu en dan nog wel eens gevangen en dan is iedereen enthousiast, maar vaak blijkt het dan toch een fint te zijn.

De enige grote Elft populaties die nu nog voorkomen, zitten veel zuidelijker zoals de Dordogne in Frankrijk. De Duitsers zijn echter een herintroductieprogramma gestart om de soort in elk geval in de Rijn terug te krijgen, maar bijvoorbeeld ook in de Maas. Vanuit zee kun je de bovenstroomse gebieden van de Rijn op drie manieren bereiken; Afsluitdijk, Haringvliet en Nieuwe Waterweg. Alleen de Nieuwe Waterweg is vrij optrekbaar. Maar door de aanleg van de Vismigratierivier komt er voor Elften een nieuwe mogelijkheid bij.

Een bijkomend voordeel van de Vismigratierivier is dat de Elft tijd nodig heeft om te wennen aan de overgang van zoet- naar zoutwater. Bovendien is migratie essentieel voor de soort. Mocht de herintroductie in Duitsland aanslaan dan zal de Vismigratierivier voorzien in een belangrijke behoefte om de bovenstroomse gebieden van de Rijn te bereiken.

Copyright Sportvisserij Nederland

 

 

 

 

 

 

 

 


Europese aal / Paling

Anguila anguila

Lengte: tot ca. 155 centimeter
Leeftijd: In Zweden zou een paling 155 jaar oud zijn geworden
Voedsel: bodemleven zoals muggenlarven, vlo kreeften en kokerjuffers.

De paling is een fascinerende vissoort. Niemand ter wereld heeft ooit gezien hoe en waar palingen exact paren en waar de vrouwtjes de eitjes afzet. Ook weten we niet waar ze blijven na de paring. We vermoeden dat ze dood gaan, maar zeker weten we het niet.

De Paling begint zijn leven als larfje in de Sargassozee (dat is bij Florida, Cuba, Dominicaanse republiek) vervolgens begint een reis van één tot drie jaar om de Atlantische oceaan over te zwemmen en dan als glasaal voor de Europese kust te verschijnen. Op sommige plekken wordt er commercieel gevist op glasaal. Vooral Spanjaarden vinden dat lekker.

Glasaal trekt vervolgens de rivieren in. Vaak stuiten de vissen op dammen en stuwen, zodat ze niet verder kunnen. Dit gebeurt ook bij de Afsluitdijk. Vrijwilligers vangen de glasaal dan en zetten ze handmatig over naar de andere kant van de dijk. Maar het gaat hier slechts om een fractie van het totaal.

Als ze richting de 40 cm zijn, worden ze geslachtsrijp. Dan verandert ook hun kleur in een veel donkerdere tint, beetje zwart. Dan gaan ze terug naar de zee, als schieraal. Opvallend is dat ze zo graag naar zee willen dat ze zelf over het land kunnen krioelen om de zee te bereiken. Hun kieuwen gaan dan dicht en dan ademen ze via de huid.

De Vismigratierivier zou een uitkomst zijn. Nu is de intrek van glasaal enorm afgenomen. We schatten zo’n 1 tot maximaal 5% van wat er in de jaren 60-70 langskwam! Door de Vismigratierivier kunnen er in goede jaren miljoenen extra glasaal binnentrekken. Deze kunnen weer uitgroeien tot volwassen palingen, waardoor het aantal palingen weleens spectaculair kan toenemen.

Copyright Sportvisserij Nederland

 

 

 

 

 

 

 

 


Fint

Alosa fallax

Lengte: tot 60 centimeter
Voedsel: kreeftachtige diertjes
Snelheid: 20.5 km/u

De Fint is een vis waaruit blijkt dat de Vismigratierivier ook niet het antwoord is voor alle vissoorten. De Vismigratierivier is het begin van een reeks van aanpassingen die nodig zijn voor de Fint. De Fint heeft namelijk een echt natuurlijk estuarium (een geleidelijke overgang tussen zoet- en zoutwater) nodig. Ter grootte van de voormalige Zuiderzee, de Lauwerszee of de Eems-Dollard. Hier groeit de Fint dan als jong visje op.

Met het verdwijnen van deze estuaria, is ook de fint grotendeels verdwenen uit Nederland. Gelukkig zijn er nog grote populaties in andere landen zoals Groot-Brittannië en Frankrijk. Daarom zien we de Fint nog wel eens langs de Afsluitdijk zwemmen. Wat heet. Grote finten zijn echte rovers. Ze jagen dan in groepen op kleinere vissen, waaronder hun eigen soort. Die jacht is zo fanatiek dat de kleine prooivisjes zelfs het water proberen uit te vluchten. Maar dat is ook geen goede keuze. Ze worden dan gegeten door meeuwen.

In het verleden paaide de fint in Merwede en Bergse Maas, maar echte paaigronden zijn nooit gevonden. De Brabantse Biesbosch was waarschijnlijk een belangrijk paaigebied, net als Oude Maas, Lek, Eems, en Schelde. Hoewel er wel finten worden gezien in Nederlandse wateren lijkt een permanente terugkeer op dit moment niet mogelijk. Er zijn te weinig succesvolle leefgebieden, die echt voldoen aan wat je een estuarium kan noemen. Hoewel de Vismigratierivier een estuariën deel heeft, is dit niet groot genoeg als opgroei gebied. Wel kan de vispassage een belangrijk gebied worden voor de Fint om voedsel te vinden en als doorgang naar zoete Nederlandse wateren.

Copyright Sportvisserij Nederland

 

 

 

 

 

 

 

 


Houting

Coregonus oxyrinchus

Lengte: tot ca. 50 centimeter
Voedsel: kreeftachtige diertjes
Snelheid: 10.8 km/u

Als u een houting ziet, heeft u ten eerste geluk want er zijn er niet zoveel, maar u kunt ‘m ook heel makkelijke herkennen. De houting heeft een guitig uiterlijk vanwege de karakteristieke blauwzwarte puntneus.

De houting is typisch zo’n vis die bijzonder veel heeft aan de aanleg van de Vismigratierivier. Vooropgesteld. De Nederlandse houting is uitgestorven. Gefixeerd in formaline is deze vis nog wel waar te nemen in musea. Toch staat de houting op de kaart van de doelsoorten voor de Vismigratierivier. Hoe zit dat? Houting komt namelijk in andere landen voor.

Bij Denemarken leeft er nog een grote natuurlijke populatie. En sinds de jaren ’90 hebben Duitsers en Denen houting ook massaal uitgezet om de soort nieuw leven in te blazen. Dat is redelijk succesvol en daar kunnen we in Nederland over meepraten: Het IJsselmeer is nu een belangrijk leefgebied voor de houting!

Vanuit de Waddenzee zit er eveneens Houting voor De Afsluitdijk. Deze willen juist het IJsselmeer in en dan paaien in Duitsland. Hier is de Afsluitdijk een sta-in-de-weg. Oplossing; de Vismigratierivier. Het zou een zegen zijn voor de soort, omdat de vissen dan vrij kunnen zwemmen tussen hun paai-, foerageer- en opgroeigebieden. Bovendien zou de genetische uitwisseling de soort weerbaarder maken.

Copyright Sportvisserij Nederland

 

 

 

 

 

 

 


Rivierprik

Lampetra fluviatilis

Lengte: gemiddeld 40 centimeter
Voedsel: parasiet
Snelheid: 3.6 km/u

De rivierprik is eigenlijk geen vis, maar hij lijkt er wel veel op. Tenminste hij heeft geen schubben of botten en ook niet echt veel vinnen, dus als je ’t zo bekijkt lijkt hij ook weer niet op een vis. Maar goed, gemakshalve delen we ‘m in bij de vissen, maar dan wel bij de rondbekken.

De rivierprik is een langwerpige vis. Prikken hebben een zuigmond met meerdere kransen met tanden. De rivierprik begint zijn leven in zoetwaterbeekjes. Daar filtert deze rondbek voedingsstoffen uit het water. Als de rivierprik groter is dan bijten ze zich vast in de huid van andere vissen of van zeezoogdieren. Door de wond drinken ze bloed of lichaamssappen van hun slachtoffers.

Toch hebben prikken hun naam niet te danken aan hun enge bek, maar aan de negen gaatjes aan de zijkant van hun kop. Zeven van deze gaatjes gebruiken ze om adem te halen. Het achtste gaatje is een oog en het negende is een neusopening.

Op zee groeit de rivierprik uit tot een groter exemplaar. Als ze groot en oud genoeg zijn, willen ze weer terug. Het terugzwemmen doen ze op eigen kracht. Hoewel ze op de rug van hun gastheer overal en nergens kunnen belanden, zijn ze opvallend genoeg allemaal tegelijkertijd weer terug in de Waddenzee. Dit is rond december soms januari. Voor de Afsluitdijk worden veel rivierprikken gevonden. Uit onderzoek blijkt dat zij echt op zoek zijn naar een opening om naar binnen te trekken. Wat dat betreft is de Vismigratierivier een uitkomst, omdat deze zoveel mogelijk dag en nacht geopend is voor vismigratie.

Rivierprikken kunnen redelijk goed tegen de stroom inzwemmen, door met hun zuigmond stil te blijven liggen en exact het goede moment te kiezen. Ze mogen dus graag langs kanten zwemmen, zodat ze houvast hebben. Bij de Eems-Dollard trekken nu al tienduizenden exemplaren het achterland in om daar te gaan paaien. De Vismigratierivier maakt het makkelijker om paaiplekken te bereiken.

Copyright Sportvisserij Nederland

 

 

 

 

 


Zeeprik

Petromyzon Marinus

Lengte: vaak ca. 60 cm, soms tot 100 cm
Voedsel: parasiet
Snelheid: 10.4 km/u

De zeeprik lijkt veel op de rivierprik. Maar de rivierprik vindt vaak de Noordzee ver genoeg. De zeeprik is wat avontuurlijker ingesteld. De Atlantische oceaan is geen probleem. Waarschijnlijk zijn de paaiplekken ook iets verder dan bij de rivierprik. In Nederland zijn wel aanwijzingen van paaigronden, maar paaiplaatsen in België en Duitsland zijn geschikter.

In het IJsselmeer komen zeeprikken voor. Zeeprikken, in tegenstelling tot rivierprikken, vertonen geen homing-gedrag. Zij hoeven dus niet naar hun geboortegrond terug te keren. Alle paaigronden die ze kunnen gebruiken, zijn geschikt voor voortplanting. Net als de rivierprik oriënteert de zeeprik zich op feromonen in rivieren. Dit zijn stofjes die worden afgescheiden door larven. Als ze die stofjes waarnemen dan weten ze, ‘hier is geschikte paaigrond’, anders waren er geen larven. Zo is er een mooie wisselwerking.

De zeeprik kan ook duidelijk groter worden dan rivierprik, zo’n 80 a 100 centimeter. Doordat zeeprikken geen homing-gedrag vertonen, zal een passage door de Afsluitdijk gelijk een impuls geven. Het is namelijk een nieuwe extra route en het zal de genetische uitwisseling tussen de soort bevorderen.

Copyright Sportvisserij Nederland

 

 

 

 

 

 


Spiering

Osmerus eperlanus

Lengte: tot 45 cm
Leeftijd: tot 8 jaar
Voedsel: garnalen en kleine vissen (waaronder spiering!)
Snelheid: 7.9 km/u (bij een lengte van max 25 cm.)

De spiering is een fascinerende vissoort. Het is evolutie in een notendop. Vroeger, toen het IJsselmeer nog Zuiderzee heette, toen was er één soort spiering. Een mooie krachtige vis van zo’n 25-30 centimeter die in de Waddenzee leefde en het brakke gebied van de Zuiderzee. De soort plantte zicht voort in riviermondingen en kwam zelfs tot in de Amsterdamse grachten.

En toen kwam de Afsluitdijk in 1932.

De populaties werden van elkaar gescheiden en er kwamen twee soorten. Eentje die nog wel in de Waddenzee leeft, deze soort wordt 8 jaar oud en maximaal 30 centimeter.

Op het IJsselmeer ontstond echter ook een zoetwaterpopulatie. Deze wordt slechts 10 centimeter en kent een levenscyclus van een drietal jaren. Zie daar evolutie in een notendop.

Met de IJsselmeer populatie gaat het inmiddels slecht. Vandaar dat er voor sommige jaren ook een vangstverbod geldt. De spiering is namelijk een geliefd visje bij vogels, zoals visdiefje, futen, zaagbekken en aalscholvers. Die komen anders in de problemen.

De interactie tussen IJsselmeerspiering en Waddenzee wordt geschat op nul. Hooguit zal een enkeling de sluis door weten te komen.

De Vismigratierivier kan echt een uitkomst zijn om de spiering in het IJsselmeer van nieuw genetisch bloed te voorzien. Dat zou ook een zegen zijn voor vogels.

Wist je trouwens dat de spiering ook wel komkommervisje wordt genoemd? Hij ruikt namelijk naar komkommer!

Copyright Sportvisserij Nederland

 

 

 

 

 


Zeeforel

Salmo Trutta

Lengte: tot 140 centimeter 
Gewicht: 20 kilogram
Voedsel: insectenlarven, kreeftachtigen en vis
Snelheid: tot 36 km/u

De zeeforel is een echte survivor. Hij kan zowel in zoet als in zoutwater overleven. Als de forel vrij naar de zee kan zwemmen dan zal hij dat ook meestal doen. In dat geval wordt het een zeeforel. Vaak wordt de vis beperkt door dammen en dijken en dan kan de forel het zoute water niet bereiken. Geen zorgen. Dan blijft deze vis gewoon leven in zoetwater en noemen we het een beekforel. En als hij in een meer blijft zwemmen noemen we het ook wel een meerforel.

Een vrije overgang van zoet naar zoutwater is dus essentieel voor de zeeforel. De Afsluitdijk vormt nu een barriere tussen deze zee en het bereiken van de paaigronden in de Overijsselse Vecht. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de zeeforel ongeveer in de helft van de gevallen de sluizen in de Afsluitdijk kan passeren. De ander helft dus niet. De Vismigratierivier zal het voor veel zeeforellen een stuk makkelijker maken.

Zo nu en dan worden zeeforellen en zalmen nog wel eens door elkaar gehaald. Maar de zeeforel stelt minder hoge eisen aan zijn leefomgeving en komt in grotere aantallen voor. Volwassen zeeforellen zijn te onderscheiden van zalmen door de grotere bek, de bredere staartwortel en de x-vormige zwarte vlekjes op het lijf.

Door hun grote sprintcapaciteit kunnen zeeforellen relatief makkelijk tegen de stroom inzwemmen. De Vismigratierivier zal hun kans om te passeren enorm vergroten. Maar ook visvriendelijk sluisbeheer kan voor deze soort al een heel verschil uitmaken.

Copyright Sportvisserij Nederland